Onze boerderij aan de Noodweg 4 is gebouwd in 1877 en volgens een ingekerfde gevelsteen ‘gesticht den 28 mei 1877 door Mej. Wed. H. Vink’. Dit wordt bevestigd door gegevens van het kadaster, met een opmeting uit 1877. Deze mejuffrouw weduwe Harm Vink blijkt Geessien Iwema te zijn, die een jaar eerder in 1876 haar man Harm verloren had en met haar dochter en zoontje de boerderij betrok. In 1877 werd de weg door Leegkerk verhard, waarna het schooltje in de kosterij stopte. De kinderen van Leegkerk konden nu naar Dorkwerd of Hoogkerk lopen.
Op het erf achter de boerderij staat een schapenschuur uit 1881.
Lees meer…
De boerderij is een typische kop-romp boerderij, met een voorhuis die dwars staat op de schuur. De schuur staat iets uit het midden, waardoor aan de rechterkant ruimte is voor dubbele deeldeuren, ook wel baanderdeuren genoemd, aan de voorzijde en de achterzijde. Graan, hooi of andere gewassen konden zo met paard en wagen naar binnengereden worden en worden gelost. Aan de linkerkant, achter de keuken, is de koeienschuur. Deze is nog nagenoeg intact, inclusief drinkbakken en stalschotten. Traditioneel werden in die tijd koeien in Groningen vooral gefokt en opgefokt, waarna het jongvee vaak werd verkocht aan Friese melkveehouders. Misschien is dit deel van de schuur dus meer een pinkenstal. Aan de achterkant is de paardenschuur die ook nog grotendeels origineel is. Dit deel van de schuur is later, waarschijnlijk iets voor 1896, aangebouwd waarmee de schuur zo’n 5 meter langer werd (van 14,9 meter naar 19,9 meter). Dit kun je nu nog zien aan het andere type gebinte (vierkant in plaats van rond) en dakbeschot, waar voor dit deel stro is gebruikt tussen het houtwerk. In die tijd is er ook een uitbouw van 2,1×3 meter naar de zuidzijde geweest, die later weer is gesloopt.
Rondleiding voorhuis
Onze woonboerderij ligt aan de Noodweg, of vroeger Nootweg of Notweg. Dit is niet een weg die werd gebruikt in tijd van nood, maar als boerenlandweg. Noot betekende vee of bezit, oftewel opbrengst van het land.
De constructie van het dwarshuis met de hoofdschuur maakt het een typische kop-romp boerderij. Dit is, zeker doordat het voorhuis iets naar links is geplaatst ten opzichte van de schuur, typisch voor de Groningse boerderijbouw. De kop-romp boerderij als variant op de kop-hals-romp boerderij komt in Groningen vooral in het Westerkwartier voor.
Lees meer voor een uitgebreide beschrijving en rondleiding…
De gevel van het voorhuis is van architectuurhistorische waarde vanwege de ‘symmetrische opzet van het gaaf bewaard gebleven dwarshuis en de authentieke onderdelen die passen bij een datering uit 1877 en in eclectische stijl zijn vormgegeven zoals de indeling van de voorgevel met gestucte pilasters; de blauw gekleurde, gepleisterde plint; gekorniste lijstgoot; vensters voorzien van een gepleisterde architraaflijst met middenornament; de terugliggende toegang met hardstenen trap, geprofileerd kalf, bovenlicht met dubbelde deuren‘ (monumentale waardestelling gemeente, 2006). Nog mooier zou het zijn als de dakgoot in verstek de omtrekken van de pilasters zou volgen, zoals het vroeger waarschijnlijk ooit was. Dat is misschien een project voor de toekomst.
Opvallend is dat de gemetselde pilasters in de zijgevel niet zijn afgewerkt met stucwerk zoals die in de voorgevel.
Als je het hardstenen trapje opkomt naar de dubbele deuren van de hoofdingang, kom je in een middengang met links en rechts een kamer. Dit is een typische indeling van het dwarshuis van een groningse kop-romp boerderij. Rechts is onze slaapkamer met bedsteewand in originele licht groene kleuren en een houten schouw met hiervoor een houtkachel. De vensters hebben heel mooi vormgegeven vensterbanken en omlijsting. De bedsteewand hangt boven de kelder die vanuit de dwarsgang is te bereiken.
De linkerkamer is onze woonkamer geworden met het houtwerk in origineel ocregeel. De op maat gemaakte boekenkast hebben we overgenomen van de vorige bewoonster en komt uit een klooster in Nijmegen.
De middengang loopt door naar achteren en heeft aan het eind een rondboogdoorgang met glas-in-loodraampjes op groningse wijze gekleurd. Via dubbele deuren met bovenlicht kom je in een halletje met deuren naar de keuken links, de badkamer en het dwarsgangetje. Het dwarsgangetje geeft toegang tot het toilet, via dubbele paneeldeuren tot de kelder en tot de deel. Het halletje heeft een originele Bremer zandstenen vloer en de dwarsgang naar de deel is een originele vloer met klinkertjes.
Via het halletje kun je linksaf richting de keuken waarvan het houtwerk blauw geschilderd is, waardoor het bijna mediterraans oogt. Vanuit de woonkamer is ook een deur naar deze keuken. Deze keuken wordt onze tuinkamer, of lunchkamer. Deze ruimte ligt heerlijk op het zuiden met toegang tot de aangelegde tuin.
In het hele voorhuis ligt een originele eikenhouten vloer met brede planken die uit de hele breedte van de bomen zijn gezaagd. Dit kun je zien aan het feit dat ze allemaal een beetje taps toelopen. Deze planken waren niet goedkoop verkrijgbaar in Groningen en zijn een teken van luxe en kwaliteit. De vloer is in de originele groen-bruine kleur geschilderd. Tijdens het isoleren van de kruipruimtes vonden we handtekeningen van de timmermannen die de vloer in 1877 hebben gelegd.
Boven in het voorhuis zijn drie slaapkamers en badkamer met openslaande ramen aan de achterzijde. Een tijd lang hebben er ramen aan de voorzijde gezeten, maar vorige bewoners hebben deze verwijderd omdat er origineel aan de voorkant geen dakramen hoorden.
Rondleiding schuur
Achter de keuken kom je in de koeienschuur. Zoals gebruikelijk bij een kop-hals-romp boerderij stonden de koeien hier twee aan twee met de kop naar de zijgevel. Dit deel van de schuur is nog heel mooi origineel. De monumentencommissie van de gemeente beschrijft het zo: ‘de gaaf bewaard
gebleven koestal met koewand met doorgang naar de tasvakken, bestrating, koestand met houten staanders die aan de bovenkant met elkaar verbonden zijn door getoogde planken, de dwars geplaatste houten schotten, op de koestand de later aangebrachte verholen grup waar vermoedelijk het jongvee stond.‘
Lees meer…
Via het eerder beschreven dwarsgangetje kom je in de deel. De deel heeft zowel aan de voorkant als aan de achterkant dubbele deeldeuren waardoor er een doorrit ontstaat voor het laden en lossen van de boerenkarren. In de gevel zitten rondom stalraampjes.
Tussen de deel en de koeienstal staat de paardenstal tegen de achtergevel. Ook deze heeft nog stalschotten en een originele betegelde vloer. Dit achterste deel is de latere uitbouw van de schuur uit (waarschijnlijk) 1896.
De gemeente Groningen weer aan het woord: ‘In het bedrijfsgedeelte is van bouwhistorische waarde de volledige gebintconstructie met sporen, oplangers en ondersteuning. Bijzonder is de afwerking van een groot deel van de hoofdschuur met vertikaal dakbeschot.‘ Dit vertikaal dakbeschot kwam eind 19e eeuw niet vaak voor vanwege de hoge kosten van de eikenhouten planken.
Het erf en het land
Bewoners
De boerderij is op 28 mei 1877 gesticht door de 35 jarige Geessien (Gesien) Iwema uit Wierum (Aduard). Haar man, Harm Vink uit Bedum, was 8 maanden daarvoor overleden en ze ging er wonen met haar dochter van 13 Pieterke en zoontje van 5, Jakob. Een jaar later trouwde ze met Abraham van de Riet die bij haar introk en samen kregen ze Reerd en Geertruida.
Lees meer…
Geessien komt uit een grote en belangrijke familie uit het Westerkwartier. De Iwema’s komen uit de omgeving Niebert, maar er woonden ook Iwema’s in Wierum bij Aduard, rond Den Horn (Hoogemeden) en ook al generaties lang in Leegkerk, waaronder in de boerderij Gravenburg. Haar vader en opa boerden ook al in Leegkerk.
Pieterke en Jakob verhuisden na hun huwelijk uit Leegkerk, maar Reerd bleef hier wonen, vermoedelijk tot zijn overlijden in 1917 en werd net als vader Abraham veehouder. Hij werd veefokker van groninger blaarkoppen.
In 1923 blijkt de boerderij in handen te zijn van Tonnus Oosterhoff. Na het overlijden van Reerd in 1917 is de boerderij verkocht, in elk geval voor 1923. Tonnus woonde hier in elk geval tot 1951 en had in de oorlogsjaren onderduikers in de kruipruimte. Onze aannemer had hier bij vorige eigenaren nog sporen van gevonden. Onder de middengang is een deel van de kruipruimte betegeld, alsof dit inderdaad een andere bestemming had. In 1945 stond boer Oosterhoff te boek als kwartiermaker voor de evacués uit Wells. Dit dorp in Limburg lag bij het optrekken van de geallieerden in de vuurlinie en werd daarom met spoed geëvacueerd door de Duitsers. De dorpelingen moesten te voet in bar winterweer richting het noorden en werden vanaf Weeze op de nachttrein gezet. Vanaf Groningen liepen een aantal richting Hoogkerk en Leegkerk waar kwartiermakers gereed stonden om ze op te vangen. Hier was boer Oosterhoff er een van. De zoon van Tonnus heette Berend en werd predikant.
Waarschijnlijk werd de boerderij rond 1952 verkocht aan de familie Faber. Hij was hier ook veehouder en deed later de boerderij over aan zijn zoon Ate die eerst nog wel koeien hield, maar later een SRV wagen had. Ate verkocht de boerderij, die toen al geen actieve boerderijfunctie meer had, aan Janna waarna wij het in 2026 van Janna hebben overgenomen.
Het boerenleven in Leegkerk
Leegkerk is een wierdendorp op een dikke laag klei. Vóór de inpoldering kon het klei zich afzetten door de getijden van het wad. Deze laag klei is al van voor de jaartelling. Hierop is veen ontstaan, maar deze veenlaag is waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen ontgonnen en wellicht later grotendeels weggeslagen door de zee die een nieuwe laag klei afzette. Dit is de knipklei waar het huidige grasland op groeit. Dit kleigebied is in de middeleeuwen, waarschijnlijk vanaf rond 1200 opnieuw ontgonnen, waarbij een dorpje op wierden ontstond met de 13e eeuwse kerk. De meeste wierden lagen langs de oude loop van het Peizerdiep die hier de Hunsinge heette en kronkelend naar het noorden liep. De oevers van de Hunsinge waren waarschijnlijk vrij hoog. De Zijlversterweg loopt langs deze oude rivierloop, vandaar dat deze weg kronkelend door de landerijen loopt.
Lees meer…
De kerk en enkele oude boerderijen staan nog op wierden en elders in het land zijn de wierden nog goed te herkennen. In sommige stroken land zijn nog de dwarsstroken zichtbaar met greppels aan weerszijden om het land af te wateren richting de sloten. Dit is ook goed zichtbaar op het land van Noodweg 4. Voor de efficiëntie van het maaien zijn veel percelen helemaal strak getrokken waardoor dit oude patroon is verdwenen.
Eind negentiende eeuw hadden de meeste boerengezinnen een gemengd bedrijf van koeien, schapen en graan. In de loop van de twintigste eeuw kwam de schaalvergroting en specialisatie van met name melkveehouders op gang en zo ontstonden er in Leegkerk enkele grote boerenbedrijven en werden veel kleinere boerderijen woonboerderijen, zoals ook onze boerderij.